ESPERANTO KORT

voor nederlandstaligen door Ir Leo De Cooman

DE GRAMMATICA

beknopt maar volledig, naar de 16 regels uit het "Fundamento". Er zijn geen uitzonderingen.

1. Lidwoord: Er is geen onbepalend lidwoord. Het bepalend lidwoord is LA. Het is onveranderlijk.

2. Zelfstandig naamwoord: stam + de ‘grammaticale uitgang’ O, meervoud +J, accusatief +N (dat is voor lijdend voorwerp, tijdstip, richting, waarde, duur, ... zie ook 13 en 14). Het bestaan van de accusatief (eind-N) maakt een veel vrijere woordvolgorde mogelijk en verzekert nauwkeurigheid en verstaanbaarheid.

3. Bijvoeglijk naamwoord: volgt in aantal en vorm het zelfstandige woord, waar het op slaat:

stam +A, meervoud +J, accusatief +N. Dika pomo=Een dikke appel; Mi prenas la dikajn pomojn=Ik neem de dikke appels. La ruĝaj pomoj estas maturaj=De rode appels zijn rijp.

Stellende trap: tiel ... kiel ... : tiel granda kiel vi=zo groot als jij

Vergrotende: pli ... ol ... : pli dika ol mi=dikker dan ik

Overtreffende: plej ... el ... : la plej longa strato el tuta lando=de langste straat van een heel land

4. Hoofd-telwoorden: onveranderlijk: NUL, UNU, DU, TRI, KVAR, KVIN, SES, SEP, OK, NAŬ, DEK, CENT, MIL, ... Voorbeeld: 654 312=sescent kvindek kvar mil tricent dek du

Rangtelwoorden: +A (=bijvoeglijke woorden): la dudek sepA=de 27-ste; Bijwoord: due=ten tweede (zie ook 7)

Veelvouden: +OBL-: zevenvoud=sepOBLo, in drievoud=triOBLe (bijwoord, zie ook 7), dubbele dikte=duOBLa diko

Breuken: met -ON-: sep=7; sepONo=1/7; tri duONaj eŭroj=3 halve euros; tri kaj duona eŭroj=3 en een halve euro

Collectief: met -OP-: kvarOPe=met zijn vieren, per vier

5. Persoonlijke voornaamwoorden: mi=ik; vi=jij, jullie; li=hij (mannelijk persoon); ŝi=zij (vrouwelijk persoon); ĝi=het (geen persoon); oni=men (onbepaalde personen); si=zich (wederkerig); ni=wij ili=zij (zowel voor personen als zaken) (voor accusatief: +N, zoals altijd)

Bezittelijk voornaamwoord= persoonlijk voornaamwoord +A (=bijvoeglijk woord, zie 3): mi=ik; mia=mijn; si=zich; sia=van zichzelf (=van het onderwerp van de zin): ŝi nutras sian infanon=zij voedt haar (eigen) kind.

6. Werkwoord: noemvorm (infinitief) =stam + I. kraki=kraken; haki=hakken; hasti=haasten; melki=melken

De actieve vormen: stam + AS, -IS, -OS resp. in (onvoltooid) tegenwoordige, verleden en toekomende tijd, gelijk voor alle personen. (mnemotechnisch middeltje voor Nl-taligen: vAndaag AS, gIsteren IS, mOrgen OS)

Imperatief (gebiedende wijze) = volitief (wensvorm): stam +U. Venu=kom (ik wens dat je komt)

Voorwaardelijke wijs: stam + US: mi hakus=ik zou hakken

Actieve deelwoorden: stam + ANT-, INT-, ONT- (vormen resp. tegenwoordig, verleden en toekomend deelwoord)

Passieve deelwoorden: stam + AT-, IT-, OT- (idem). la arbo estas hakata=de boom wordt gehakt; estas hakita=is gehakt [geworden]; ĝi estus hakata=het zou gehakt worden

De deelwoorden kunnen zelfstandig +O(J,N) (voor personen), bijvoeglijk +A(J,N), bijwoordelijk +E, werkwoordelijk (+I of +AS, IS, OS, US) en voor verdere combinaties gebruikt worden: muziki=muziek maken; muzikanto=muzikant; muzikonto=persoon die zal muziceren; muzikante=al musiceren

Er is slechts 1 hulpwerkwoord: esti (zijn) en zijn homologen (schijnen, worden, blijken, ...) ("hebben" is dus geen hulpwerkwoord in Eo! Ik heb gehakt=Ik ben 'hebbende gehakt'= mi estas hakinta

Eo gebruikt de directe wijs: Li diris, ke li venos=Hij zei dat hij ZOU komen (=Hij zei: “ik zal komen”)

7. Een bijwoord: stam +E. Vb: trajne= per trein.

8. Na het voorzetsel ‘op zich’ komt een nominatief (zie ook 13 en 14).

9. Alle letters, die geschreven zijn, worden uitgesproken. Elke letter wordt steeds gelijk uitgesproken.

Het alfabet is ABCĈDEFGĜHĤIJĴKLMNOPRSŜTUŬVZ: 23 medeklinkers en slechts 5 klinkers! A E I O U, uit te spreken zoals in het overeenkomstige Nederlandse woord:

A: kato=kat, E: pesto=pest, I: litro=liter (altijd lang als ‘ie’!), O: poto=pot, U: kuko=koek (U klinkt altijd [oe])

(Aangezien er maar 5 klinkers zijn, is de tolerantie ruim, enig verschil in uitspraak van de klinkers stoort de verstaanbaarheid niet.)

De uitspraak van volgende medeklinkers is anders dan in het Nederlands:

C wordt [ts] uitgesproken: caro [tsaro]= tsaar

Ĉ wordt [tsj] uitgesproken: ĉirpi= tsjirpen

G is de ‘Franse keel-G’: ganto= handschoen (in het Frans: gant)

Ĝ zoals [dzj]: Ĝentila= beleefd ( vgl. het Engels gentle). Ĝentlemano= gentleman

H altijd aangeblazen uitspreken! hasti= haasten

Ĥ zoals ch in paroCHie (= paroĥo), ĥaoso= chaos

Ĵ zoals j in journalist (= ĵurnalisto)

Ŝ zoals ch in maCHine (= maŝino)

Ŭ zoals onze W: aŭto [awto]= auto; Eŭropo [ewropo]=Europa. (Ŭ is een medeklinker! Ŭ komt altijd na een A of E).

V is de ‘zachte’ V

Let er op: een C is altijd [ts], K alijd K, een S altijd S en een Z altijd Z!

10. De woordklemtoon ligt altijd op de voorlaatste klinker van het woord.

11. In samengestelde woorden staat "zoals bij ons- de hoofdbetekenis achteraan (buterkuko= boterkoek). De (nominatieve) uitgang van het voorgaande woord mag blijven staan als daardoor de uitspraak vlotter is: nazotuko=neusdoek, zakdoek: (z, gevolgd door een harde t spreek je moeilijk precies uit)

12. Ontkenningen worden "zoals bij ons- enkel gebruikt (niet dubbel zoals bv. in het Frans) en staan onmiddellijk voor het woord waarop ze slaan.

13. Een richting kan aangegeven worden door de grammaticale uitgang "N. dekstre=rechts; dekstren=naar rechts.

14. Voorzetsels: Het voorzetsel JE heeft een onbepaalde betekenis. De andere voorzetsels hebben een vast bepaalde betekenis. Algemeen: als dat geen verwarring schept mag een voorzetsel weggelaten en vervangen worden door een eind-N aan het attribuut (‘accusatief’): Mi promenas en la arbaron=Ik wandel ‘naar+in’ het bos=Ik wandel het bos in.

15. Neologismen: bij het afleiden van nieuwe stammen uit een andere taal neme men het essentiële over, zonder eventuele achtervoegsels van die andere taal.

16. In poëzie en dergelijke mag de eind -o van een zelfstandig naamwoord (in de nominatief dus) en de a van la (bep. lidw.) vervangen worden door een afkapteken ('), dat dus als klinker is te beschouwen voor de woordklemtoon.

 

DE WOORDVORMING

Esperanto maakt dankbaar gebruik van standaard voor- en achtervoegsels, die ook alleenstaand betekenis hebben als woordstam. Daarmee vormt men vlot een ruime en genuanceerde woordenschat terwijl men toch maar een beperkt aantal stammen hoeft te leren. Hier volgen de belangrijkste:

- Voorvoegsels worden vooraan aangeschreven om een nieuw woord te vormen. Enkele voorzetsels kunnen als voorvoegsel gebruikt worden. Hier volgen enkele voorbeelden.

eks- ex-, gewezen: edzo=echtgenoot; eksedzo=ex-echtgenoot; amiko=vriend; eksamiko=gewezen vriend

fi- ongunstig karakter: fi!=foei!; homo=mens; fihomo=onmens, ploert; ago=daad; fiago=wandaad; parolo=woord; fiparolo=een vies woord

ge- beide geslachten samen: patro=vader; patrino=moeder; gepatroj=ouders; frato=broer; fratino=zus; gefratoj=gebroeders en zusters

mal- tegengestelde: bona=goed; malbona=slecht; bela=mooi; malbela=lelijk; avara=gierig; malavara=gul; diligenta=vlijtig; maldiligenta=lui; amiko=vriend; malamiko=vijand; la malo=het tegenovergestelde; male=integendeel; dungi=aanwerven; maldungi=afdanken; helpi=helpen; malhelpi=hinderen; feliĉa=gelukkig; malfeliĉa=ongelukkig

mis- verkeerd, mis-: kompreni=verstaan; miskompreni=verkeerd verstaan; konduti=gedragen; miskonduti=misdragen; uzi=gebruiken; misuzi=misbruiken

re- weer, opnieuw, her-: sendi=zenden; resendi=herzenden; vidi=zien; revidi=weerzien

retro- achteruit, terug: iri=gaan; retroiri=achteruitgaan; rigardi=kijken; retrorigardo=achteruitkijk, terugblik

- Achtervoegsels worden achter aangeschreven. Daarna volgt nog minstens een grammaticale uitgang om een woord te vormen van de gewenste soort (zelfstandig/bijvoeglijk naamwoord - bijwoord - werkwoord) en vorm.

-aĵ- waarneembare zaak, voorwerp of resultaat van handeling: fabriki=fabriceren; fabrikaĵo=fabrikaat; pentri=schilderen; pentraĵo=schilderij; dolĉa=zoet; dolĉaĵo=zoetigheid; manĝi=eten; la manĝaĵo=het eten (voedsel)

-an- lidmaatschap: Afriko=Afrika; afrikano=Afrikaan; urbo=stad; urbano=stedeling; Azio=Azië; aziano=Aziaat

-ar- verzameling, groepsvorming: homo=mens; homaro=mensdom; vorto=woord; vortaro=woordenboek; arbo=boom; arbaro=bos; vagono=wagon; vagonaro=trein; abelo=bij; abelaro=bijenzwerm

-ebl- mogelijkheid, -baar: porti=dragen; portebla=draagbaar; vidi=zien; videbla=zichtbaar; manĝi=eten; manĝebla=eetbaar; trinki=drinken; trinkebla=drinkbaar; aŭdi=horen; aŭdebla=hoorbaar

-ec- eigenschap, toestand: bela=mooi; beleco=schoonheid; bona=goed; boneco=goedheid

-eg- vergrootwoord: bela=mooi; belega=prachtig; bona=goed; bonega=uitstekend; pordo=deur; pordego=poort; ridi=lachen; ridegi=schateren; rivero=rivier; riverego=stroom; varma=warm; varmega=heet; varmego=hitte

-ej- plaats, waar: kuiri=koken; kuirejo=keuken; lerni=leren; lernejo=school; vendi=verkopen; vendejo=winkel, markt; loĝi=wonen; loĝejo=woonplaats; eriko=heide(plant); erikejo=heide (biotoop)

-ek- begin van een handeling: dormi=slapen; ekdormi=inslapen

-em- neiging: babili=babbelen; babilema=babbelziek; timi=vrezen; timema=vreesachtig; venĝi=wreken; venĝema=wraakzuchtig; ataki=aanvallen; atakema=aggressief; danki=danken; dankema=dankbaar

-er- deeltje van iets: neĝo=sneeuw; neĝero=sneeuwvlokje; mono=geld; monero=geldstuk, muntje

-estr- leider: urbo=stad; urbestro=burgemeester; ŝipo=schip; ŝipestro=kapitein

-et- verkleinwoord: rivero=rivier; rivereto=beek; libro=boek; libreto=boekje; varma=warm; varmeta=lauw; ridi=lachen; rideti=glimlachen; dormi=slapen; dormeti=dutten; flui=vloeien; flueti=sijpelen

-id- nakomeling: reĝo=koning; reĝido=koningskind; ĉevalo=paard; ĉevalido=veulen; porko=zwijn; porkido=big

-ig- iets maken tot: pura=rein; purigi=reinigen; nenio=niets; neniigi=vernietigen; cindro=as; cindrigi=verassen; paco=vrede; pacigi=vrede stichten; blua=blauw; bluigi=blauw maken

vormt een overgankelijk werkwoord uit een onovergankelijk: dormi=slapen; dormigi=doen slapen; esti=zijn; estigi=doen zijn, stichten; soni=klinken; sonigi=doen klinken

doen: labori=werken; laborigi=aan het werk zetten; skribi=schrijven; skribigi=doen schrijven

-iĝ- worden, in die toestand komen: sana=gezond; saniĝi=gezond worden, genezen; bela=mooi; beliĝi=mooi worden; cindro=asse; cindriĝi=verast worden; stari=staan; stariĝi=staande worden, gaan staan; sidi=zitten; sidiĝi=zittende worden, gaan zitten; ruĝa=rood; ruĝiĝi=rood worden; al=aan; tablo=tafel; altabliĝi=aan tafel komen

-il- tuig, instrument: tranĉi=snijden; tranĉilo=mes; veturi=rijden; veturilo=rijtuig; kapti=vangen; kaptilo=een val

-in- vrouwelijk wezen: amiko=vriend; amikino=vriendin; viro=man; virino=vrouw; patrino=moeder

-ind- waardigheid, verdienste: legi=lezen; leginda=lezenswaardig; vidi=zien; vidinda=bezienswaardig

-ing- om één object te bevatten: glavo=zwaard; glavingo=schede; ŝraŭbo=schroef; ŝraŭbingo=moer

-io- vormt land of vakgebied (uit bewone/beoefenaar): belgo=Belg; Belgio=België; biologo=bioloog; biologio=biologie; geografo=aardijkskundige; geografio=aardrijkskunde

-ist- bezigheid, stiel: ŝuo=schoen; ŝuisto=schoenmaker; vendi=verkopen; vendisto=verkoper; arto=kunst; artisto=kunstenaar; dento=tand; dentisto=tandarts; politiko=politiek; politikisto=politicus; politikistino=politica

-uj- om een hoeveelheid te bevatten: mono=geld; monujo=geldbeugel; cindro=asse; cindrujo=assepot; abelo=bij; abelujo=bijenkorf; kafo=koffie; kafujo=koffiekan; sukero=suiker; sukerujo=suikerpot

-ul- individu/ mens gekarakteriseerd door de stam: juna=jong; junulo=jongeling; riĉa=rijk; riĉulo=rijkaard, een rijke man; riĉulino=een rijke vrouw; dika=dik; dikulo=een dikke

-um- onbepaalde betekenis, voor niet anders uit te drukken begrippen: nomo=naam; nomumi=benoemen; butiko=winkel; butikumi=winkelen; oro=goud; orumi=vergulden; aero=lucht; aerumi=verluchten; umo=een (onbepaald) ding; umi=iets onbepaalds doen; sporto=sport; sportumi=sporten; suno=zon; sunumi=zonnen

Voorbeeld: Sana=gezond; mal-san-ul-o=een zieke; mal-san-ul-in-ej-o=een ziekenhuis voor vrouwen.

Vragende zinnen kunnen opgebouwd zijn rond een vragend voornaamwoord: Kiu estas tiu persono?=Wie is die persoon? De woordvolgorde wijzigen verandert niets aan de zin, daarom beginnen ja/neen vragen met het onderschikkend voegwoord ĉu=of: Ĉu vi jam manĝis?=[Ik vraag] of je reeds gegeten hebt=Heb je reeds gegeten?

Voornaamwoorden (‘correlatieven’) vormen in Eo een logisch stel (populaire naam: ‘tabelwoorden’).

Er staat steeds een "i- na het begindeel (k-, t-, -, nen-, ĉ-) dat aanduidt of het gaat over een resp. vragend/relatief, aanwijzend, onbepaald, ontkennend of allesomvattend voornaamwoord. Het einddeel drukt uit over welke soort het gaat: -a(j,n) voor hoedanigheid, -al voor reden, -am voor tijdstip, -e voor plaatsbepaling, -el voor wijze, -en voor richting, -es voor eigendom, -o(n) voor een zaak, -om voor hoeveelheid, -u(j,n) voor keuze. Hier volgen een paar voorbeelden. Door het uiteinde te vervangen door voornoemde reeks krijgt men een andere, speelse kijk op de voornaamwoorden uit de eigen moedertaal (vaak zijn omschrijvingen nodig in het Nl).

De tabel toont meteen hoe Eo helpt systematisch inzicht te verwerven in eigen en in andere talen.

  K-I-E = waar             K-I-AM = wanneer        K-I-EN = waarheen
  T-I-E = daar             T-I-AM = dan            T-I-EN = daarheen
    I-E = ergens             I-AM = ooit             I-EN = ergens heen
NEN-I-E = nergens        NEN-I-AM = nooit        NEN-I-EN = nergens heen
  Ĉ-I-E = overal           Ĉ-I-AM = altijd         Ĉ-I-EN = overal heen

Hier volgen ter verduidelijking de aanwijzende voornaamwoorden (2de rij: met ti-) van alle soorten:

Tia=zulke; tial=daarom; tiam=dan; tie=daar; tiel=zo; tien=daarheen; ties=diens; tio=dat; tiom=zoveel; tiu=die.

5 beginstukjes + 10 eindstukjes leren = 50 voornaamwoorden kennen + verder afgeleide woorden: tiama=toenmalige; ĉiama=van alle tijden; tioma=zoveelste; kioma=hoeveelste; tiea=van op die plaats ...

Esperanto biedt onbeperkte creatieve mogelijkheden en taalcomfort.